Een wereld van gevoel
Welkom bij mijn portfolio, waar ik een blik werp op mijn ziel en mijn creatieve reis. Hier komen verhalen, gedichten en projecten samen die resoneren met emotie, persoonlijke groei, de zoektocht naar identiteit en de moed om kwetsbaar te zijn. Duik in mijn visuele en geschreven wereld en laat je meevoeren door de gevoelens die ik deel.

*nieuw* Je ziet het niet.
Je ziet het niet.
Je ziet iemand die opstaat
Die reageert, die lacht op de juiste momenten.
Die zegt: “gaat goed hoor.”
En dus geloof je dat.
Maar wat je niet ziet, is wat er gebeurt in de seconden vóórdat iemand opstaat.
Dat ene moment waarin het lichaam loodzwaar voelt.
Waarin zelfs ademhalen moeite kost.
Waarin een simpele handeling zoals uit bed komen, een bericht beantwoorden, een gesprek voeren al aanvoelt als iets onmogelijks.
Wat je niet hoort, is de stem die nooit stil is.
Die alles in twijfel trekt.
Die herinnert aan elke fout, elk gemis, elk moment waarop het anders had moeten zijn.
Die zegt dat je achterloopt.
Dat je tekortschiet. Dat je jezelf kwijt bent.
En je probeert ertegenin te gaan. Echt.
Maar het is alsof je fluistert tegen een storm.
Dus je doet wat werkt.
Je zet geluid aan.
Je zoekt mensen op.
Je vult elk moment op voordat de stilte je inhaalt.
Want stilte is geen rust.
Stilte is waar alles op je afkomt tegelijk.
Verdriet dat je niet kunt plaatsen maar wel voelt, diep in je borst, zwaar en dof.
Boosheid die nergens heen kan en zich vastzet in je lichaam.
Een spanning die nooit helemaal weggaat, alsof je continu op scherp staat zonder reden.
En daaronder, altijd daaronder, die uitputting.
Niet het soort moe dat je oplost met slapen.
Maar het soort moe dat in je botten zit.
Dat blijft, hoelang je ook rust.
Alsof je al te lang iets draagt wat nooit bedoeld was om zo zwaar te zijn.
Soms wil je uitleggen hoe het voelt.
Maar waar begin je?
Hoe leg je uit dat je functioneert en tegelijkertijd langzaam leegloopt?
Dat je alles doet wat moet, maar niets echt meer landt?
Dat je omringd kunt zijn door mensen en je toch compleet losgekoppeld voelt?
Dus zeg je niets, je glimlacht, je gaat door.
Omdat stoppen als geen optie voelt.
Omdat je niet weet wat er gebeurt als je echt zou voelen wat er in je zit.
En misschien is dat wel het zwaarste deel.
Dat niemand ziet hoe hard je vecht
om gewoon normaal te lijken.
Dat niemand hoort hoe vaak je in jezelf zegt:
“hou vol, nog even, gewoon doorgaan.”
Dat niemand merkt dat er dagen zijn
waarop bestaan al het maximale is wat je kunt geven.
En toch ben je er.
Nog steeds.
Niet omdat het makkelijk is.
Niet omdat het licht voelt.
Maar omdat je, ergens diep vanbinnen, blijft kiezen om niet op te geven zelfs als je niet meer precies weet waarom.
En dat gevecht. Dat stille, onzichtbare, gevecht, dat elke dag wordt gevoerd door mensen die je gewoon voorbijloopt zonder iets te merken.
Misschien wel door degene naast je.
Misschien door iemand die vandaag nog naar je glimlachte
Loslaten.
Niemand had haar ooit verteld dat vasthouden zo vermoeiend kon zijn.
Niet aan mensen, maar aan alles wat ze dacht dat ze moest zijn.
Sterk, rustig, iemand die het aankon.
Ze was er zo goed in geworden.
Glimlachen op de juiste momenten, zeggen dat het wel ging en in doorgaan, zelfs als haar hoofd allang ergens anders was afgehaakt.
Op een gegeven moment wist ze niet meer of ze zich slecht voelde, of gewoon gewend was geraakt aan hoe zwaar alles was.
Dat was misschien nog het engste.
Dat het normaal begon te voelen om moe te zijn zonder reden, om wakker te worden zonder ergens echt naartoe te willen en om de dagen door te komen in plaats van ze te leven.
Ze dacht altijd dat loslaten betekende dat je iets achter je liet.
Maar dit, dit zat in haar.
Ze kon het niet neerleggen, niet weggeven, niet afsluiten met een gesprek of een besluit.
Ze had geprobeerd het op te lossen, strenger zijn voor zichzelf, beter haar best doen en meer controle houden.
Alsof ze haar eigen hoofd kon repareren door er harder tegen te duwen.
Maar alles wat ze vastklemde, werd alleen maar strakker.
Tot ze op een dag merkte dat ze haar adem inhield.
Zonder reden.
Alsof zelfs ademen iets was waar ze grip op moest houden.
Ze liet hem langzaam los.
Eerst aarzelend, alsof er iets mis zou gaan als ze niet alles bij elkaar hield.
De wereld viel niet uit elkaar en zij ook niet.
En ergens in dat kleine moment begreep ze iets wat ze al die tijd had gemist.
Loslaten betekende niet dat alles beter werd.
Maar dat het eindelijk niet meer zo hard hoefde.
Stille geschreeuw.
Ik dacht altijd dat er een moment zou komen waarop het stil werd in mijn hoofd.
Niet leeg, gewoon, rustig.
Zoals een kamer na een lange dag, waar het licht zacht is en niets meer van je word verwacht. Waar je eindelijk kunt zitten, zonder dat er iets aan je trekt.
Het lawaai blijft.
Het begint al voordat ik mijn ogen open. Alsof mijn hoofd me voor wil zijn, me geen seconde wilt geven waarin ik nog niet weet dat ik hier ben. Dat ik weer een dag moet dragen die te zwaar voelt voor iemand zoals ik.
Mensen zeggen dat je je aanstelt of dat je het moet accepteren.
Alsof het er weer eventjes is, dat het gewoon iets is dat langskomt en weer gaat.
Maar dat gaat niet.
Dit blijft.
Ik heb geprobeerd het een naam te geven. Angst, leegte, vermoeidheid. Maar geen van die woorden past echt. Het is alles tegelijk en toch ook niets dat je kunt vastpakken. Het glipt door alles heen, zelfs door de momenten die goed zouden moeten zijn.
Ik lach op de juiste momenten. Niemand merkt iets op.
Dat is misschien nog wel het ergste, dat je zo goed wordt in het doen alsof dat het bijna lijkt dat je het heb verzonnen.
Dat het er niet echt is want niemand kan het zien. Je functioneert nog, je staat nog op en je praat nog.
“Het gaat wel” het meest genoemde zinnetje.
En ergens haat ik mezelf daarvoor.
Niet omdat het een leugen is, maar omdat ik wil dat het waar is.
Als alles stil wordt, komt het dichterbij. Dan is er niets meer om me achter te verstoppen. Geen stemmen, geen afleiding, alleen dat klote gevoel dat zich langzaam uitbreidt. Soms probeer ik het weg te ademen. Je hebt geen reden om je zo te voelen. Het gaat toch goed? Er zijn mensen die het erger hebben.
Het helpt niet. Het maakt het alleen zwaarder.
Ik heb mensen horen zeggen dat het beter wordt. Dat er een dag komt waarop je terugkijkt en denkt: Ik heb het overleefd.
Ik probeer me die dag voor te stellen, echt waar. Ik probeer te voelen hoe dat zou zijn, hoe vrij.
Alles wat ik kan zien is morgen. Nog een ochtend met lawaai dat me wakker maakt en me wakker houd tot diep in de nacht. Nog een dag waarop ik moet doen alsof. Nog een avond waarop ik mezelf weer tegenkom en niet weet waar ik heen moet met alles wat in me zit.
Misschien is dat wat accepteren is.
Ik weet het niet.
Maar het enige wat ik hoor is dat ik er nog ben, maar is dat genoeg?
Geen liefde.
Het begon niet als iets groots.
Niet met blauwe plekken die iemand kon aanwijzen, niet met geschreeuw waar buren wakker van lagen.
Het begon met kleine dingen.
Met handen die net iets te lang bleven liggen, met woorden die zogenaamd grapjes waren en met blikken die je huid lieten krimpen zonder dat je wist waarom.
Je leerde snel dat verwarring gevaarlijk was, dus noemde je het normaal.
Je noemde het liefde, je noemde het “zo gaat dat hier”.
Je lichaam wist het al eerder dan jij, de verstijving, de adem die hoog ging zitten en dat gevoel dat je even uit je zelf stapte en van bovenaf toekeek.
Maar je zei niets.
Er was geen bloed, geen bewijs.
Alleen het geschreeuw dat zich herhaalde in je hoofd en het gevoel dat er iets niet klopte.
En telkens wanneer je bijna woorden had gevonden, kwam er een stem.
Een stem die zei: “Je overdrijft, doe niet zo gevoelig. Dit is ons geheim”.
Dus je werd kleiner.
Je lachte het hardst wanner je wilde huilen, je knikte ja wanneer je eigenlijk nee bedoelde.
’s Nachts lag je wakker en vroeg je je af waarom je je zo vies voelde, terwijl niemand iets kon zien.
Je probeerde het logisch te maken.
Misschien lag het wel aan jou, misschien had je het verkeerd begrepen en misschien moest je gewoon dankbaar zijn.
En dat is hoe het werkt.
Niet met sirenes, niet met drama. Maar met stilte die steeds zwaarder wordt.
En dan komt de woede, het verdriet en het besef dat je iets hebt gedragen
dat nooit van jou was.
En ergens tussen de brokstukken
vind je een waarheid die altijd al bestond:
Dat wat er gebeurde,
geen liefde was.
Zonder naam
Hoe leg je een gevoel uit dat geen naam heeft?
Een gemis zonder gezicht.
Geen persoon die je kunt aanwijzen,
geen plek waar je naar terug kunt gaan.
Het is er gewoon.
Zacht aanwezig, maar onmiskenbaar.
Een leegte die niet schreeuwt,
maar fluistert.
Die zich nestelt in de stiltes van je dag,
in de momenten waarop alles eigenlijk goed zou moeten voelen.
Alsof je hart iets herkent
wat je handen nooit hebben vastgehouden.
Alsof je rouwt
om iets wat nooit echt heeft bestaan
en toch voelt het als verlies.
Het zit in die onverwachte brok in je keel.
In dat kleine steekje wanneer je even alleen bent.
In het verlangen naar… iets.
Maar wat precies, dat weet je niet.
Je mist geen persoon.
Je mist geen herinnering.
Je mist een gevoel.
Een volledigheid.
Een stukje dat ergens lijkt te ontbreken,
zonder dat je kunt aanwijzen waar het ooit zat.
En misschien is dat het moeilijkste:
rouwen om iets onzichtbaars.
Verdriet voelen zonder duidelijke reden.
Uitleg willen geven,
maar alleen stilte kunnen aanbieden.
Het is een gemis zonder vorm,
zonder naam,
zonder verhaal.
En toch
draag je het elke dag
met je mee.
chronisch pijn
Chronisch pijn, het is wakker worden zonder helemaal uitgerust te zijn.
Het is slapen met hoop en wakker worden met teleurstelling.
Het is je lichaam dat al “nee” zegt voordat de dag überhaupt begonnen is.
Het is uitleggen dat je pijn hebt, terwijl je weet dat niemand het echt kan zien.
Geen gips, geen wond, geen bewijs.
Alleen jij en dat stille geschreeuw van binnen.
Chronische pijn steelt.
Niet in een keer, maar beetje bij beetje.
Het steelt spontane plannen, onbezorgd lachen, de versie van jezelf die nooit hoeft na te denken over opstaan.
Het steelt woorden omdat “het doet pijn” de lading nooit dekt.
Het steelt energie, dat zelfs ademen als werken voelt.
Je leert glimlachen terwijl alles in je schreeuwt.
Je leert sterk zijn, niet omdat je dat wilt, maar omdat je geen keuze hebt.
En soms, als niemand kijkt, breek je.
Niet luid. Niet dramatisch.
Maar stil, met tranen die je wegslikt omdat je niemand weer wilt belasten.
Het moeilijkste is niet de pijn zelf.
Het is rouwen om wie je was.
Om wat je had kunnen zijn en om de dagen die nooit meer vanzelfsprekend zullen voelen.
En toch, sta je er nog.
Met een lichaam dat tegenwerkt, maar een hart dat blijft vechten.
Elke dag dat je opstaat is een overwinning die niemand ziet.
Elke lach is een daad van moed.
De stilte die heelt.
Er hing een stilte in de kamer die niemand had uitgekozen.
Geen zachte, warme stilte die geruststellend is maar eentje die te veel wist.
Een soort stilte die langs de muren kruipt en zich in je borst nestelt alsof ze je ademhaling telt.
Ik zat daar, handen gevouwen, alsof ik iets moest vasthouden dat allang door mijn vingers was geglipt.
De klok tikte, harder dan ooit en elke seconde voelde als een kleine herinnering aan alles wat ik niet durfde te zeggen.
Want woorden zijn soms te scherp, ze snijden open wat nog maar net dicht is.
Dus ik koos voor zwijgen, maar dat deed het meeste pijn.
Want als je niets zegt, begint je hart te fluisteren.
Maar de stilte drukte niet alleen meer op mijn borst, alsof ze eindelijk begreep dat ik geen oorlog meer kon voeren met wat ik voelde.
De stilte was anders.
Ze legde geen gewicht op mijn schouders, maar maakte ruimte in mijn hoofd.
En in die ruimte vond ik iets terug, iets waarvan ik niet wist dat ik het kwijt was: rust.
Ik hoorde weer hoe de regen tegen het raam tikte, hoe mijn eigen hart rustig klopte en hoe de kinderen lachte in een kamer verderop.
Het was alsof het leven zachtjes een hand op mijn rug legde.
In die stilte heb ik mezelf teruggevonden.
Niet ineens, niet in een moment, maar laagje voor laagje.
En ergens in dat stille landschap leerde ik, soms zegt stilte meer dan alle worden die je ooit heb moeten slikken.
Het mooiste wat pijn deed..
Liefde is iets vreemds.
Ze komt binnen als licht, zacht, warm, alsof ze precies weet waar je het koud had.
Je laat haar toe zonder te vragen of ze blijft.
Omdat je niet durft, maar wel hoopt.
Met liefde wordt alles voller: je handen, je ogen, je dagen.
Zelfs de lucht lijkt anders te ruiken wanneer je haar naam denkt.
Maar wat niemand je vertelt, is dat de zelfde liefde je later kan breken op precies die plekken waar ze je eerst heelt.
Het is vreemd hoe iemand die ooit voelde als thuis, opeens aanvoelt als leegte.
Hoe de plek waar hun hand lag, nu brandt als water op een wond.
Liefde is mooi, ja.
Maar schoonheid is soms scherp.
Ze snijdt zacht, bijna beleefd, pas later voel je waar het bloedt.
En toch, ondanks alles, zou ik haar opnieuw kiezen.
Niet omdat het niet pijn deed, maar omdat er momenten waren waarop het leven even stopte met stormen.
Omdat iemand je aankeek, alsof je iets was dat gevonden moest worden. Omdat je even geloofde dat je genoeg was, dat je lief kon hebben zonder kapot te gaan
Misschien is dat liefde, een niet blijvend moment.
Het stukje warmte dat blijft hangen alsof je huid het onthoudt.
En misschien is het juist dat wat zo zeer doet.
Dat je weet hoe mooi het had kunnen zijn als het was gebleven.
Ik hield me stil
Ik leerde al jong hoe je klein kon blijven, zonder te verdwijnen.
Hoe je ademhaalt, zonder geluid te maken.
Hoe je huilt, zonder dat iemand het ziet.
Mijn lichaam wist dingen, die mijn mond niet durfde zeggen.
Dat stilte zwaar kan zijn
Dat wachten pijn doet.
Dat je jezelf kunt verliezen, terwijl je keurig blijft functioneren.
Er waren dagen dat ik mezelf optilde, alsof ik een kind was dat te moe was om te lopen.
Ik sprak tegen mezelf, in de zinnen die niemand hoorde.
Ik werd goed in doen alsof.
In lachen met mijn ogen, terwijl mijn borst brandde.
In sterk zijn, tot het woord zijn betekenis verloor.
’s Nachts, wanneer alles stil was, telde ik geen schapen.
Ik telde herinneringen.
Ik legde ze naast elkaar, zoals je wonden bekijkt om te zien welke nog bloeden.
Sommige deden dat nog steeds.
Ik vroeg mij af, hoeveel pijn een mens kan dragen voordat het lichaam het opgeeft of een ziel die zachtjes vertrekt zonder afscheid.
Niemand gaf antwoord.
Dus bleef ik.
Ik bleef voor de mensen die mij nodig hadden.
Ik bleef voor stemmen die mijn naam fluisterden alsof dat genoeg was om mij hier te houden.
Maar ergens onderweg vergat ik mezelf vast te houden.
Nu sta ik hier.
Niet kapot, maar ook niet heel.
Met handen die trillen en een hart dat geleerd heeft om stil te kloppen wanneer het te veel wordt.
Als je goed luistert, heel goed, hoor je het misschien.
Het geluid van iemand die al die tijd is gebleven terwijl niemand vroeg of dat eigenlijk wel ging.